De Gouden Eeuw in majeur en mineur

Er was volop belangstelling voor de lezing “De Gouden Eeuw in majeur en mineur” in de Schutterszaal van het Haags Historisch Museum op zondag 28 april. 

Aan het begin vroeg ik (Maria Reinders-Karg) de toehoorders of zij aan slavernij denken als de Gouden Eeuw ter sprake komt? En wat heeft slavernij met Den Haag te maken?

Ach, hoe mooi was de Gouden Eeuw in alle glans en glorie van het licht van Rembrandt en dat van zijde uit de Oriënt en de statigheid van het Mauritshuis. Den Haag floreerde als centrum van Bestuur van de Republiek, vergelijkbaar met het Brussel van nu. Er werd tabak uit de kolonies verkocht en prachtige katoen van de plantages. Rijke bestuurders en ambtenaren domineerden Den Haag, zoals de kooplieden dat in Amsterdam deden. En natuurlijk was er ook het voetvolk, die zag je niet in winkels met exotische waar. Het verschil tussen arm en rijk was groot.

Via de Verenigde Oost Indische (VOC) èn de West Indische Compagnie (WIC) nam de scheepvaart een hoge vlucht in het kielzog van de zeer lucratieve handel op de Oostzee. Ook levende handelswaar vond op de schepen van de WIC zijn weg van Afrika naar de kolonies. Tot slaaf gemaakte Afrikanen, moesten – als ze de barre tocht al overleefd hadden – werken op de plantages in de overzeese gebiedsdelen, om dat kleine lage landje (2 miljoen inwoners destijds) van luxe producten te voorzien. Ook hadden een aantal gegoede huishoudens een Afrikaanse bediende, die soms cadeau werd gedaan door een zakenrelatie. Aan Afrikaanse bediendes aan het Haagse Hof wijdde het Haags Historisch Museum (HHM) in 2017 een tentoonstelling.

Mensen werden in de Oost en in de West tot slaaf gemaakt. Zij droegen bij aan de welvaart van Nederland door hun dwangarbeid. Tot op de dag van vandaag klinkt dit door via hun nazaten uit Azië, Suriname en het Caribisch gebied; de echo van het Nederlands slavernijverleden is onderdeel geworden van de klankkleur van Nederland.

 

Die echo weerklinkt ook in mijn voorgeschiedenis. Mijn overgrootvader, een Duitse militair,  reisde ooit naar Suriname, waar hij later kinderen kreeg met een vrijgekochte slavin. Die kinderen – mijn opa was een van hen – werden geëcht en zo kreeg ik de naam Karg. Deze geschiedenis is, evenals die van veel andere nazaten, terug te vinden in de slavenregisters die onlangs gedigitaliseerd werden. Ikzelf kwam op mijn 19e, nog middenin het koloniale tijdperk, naar Nederland om te studeren.

Slavernij is ook in onze tijd big business; zo’n 40 miljoen wereldwijd, schat de Verenigde Naties. Tijd om te beseffen dat onze consumptie, net als destijds, ook nu niet zonder mineur of schaduwzijde is. Daarom is het eens te meer van belang dat de misère van onderdrukking en geweld tegen de menselijkheid in onze voormalige koloniën een gelijkwaardige plaats krijgt in het verhaal van de Gouden Eeuw, naast dat van de glans en glorie. Het is tijd voor openheid in onderwijs en voorlichting over dit gedeeld verleden.

Tijdens de nabespreking bleek dat nogal wat toehoorders het verhaal van de slavernij niet of nauwelijks kenden. Er was over het algemeen waardering voor het invoegen van het verhaal van de slavernij in dat van de Gouden Eeuw.

Na de lezing zat ik tot sluitingstijd bij mijn reizende ‘tentoonstelling’ – een koffer met aan slavernij gerelateerde artikelen – voor toelichting en contact met het publiek.

Al met al een dag in majeur.

You may also like...