Hink stap sprong, Terug op Donatushof
Op 19 januari was ik weer op Donatushof in Bemmel. Drie klassen, veel materiaal, en een gevoel dat zich niet meteen liet benoemen. Het was bijzonder om er opnieuw te zijn.
Bij binnenkomst vertelde ik het meteen: Bert was er deze keer niet bij. In 2024 was hij hier nog, nu niet meer. Het was goed om dat uit te spreken. Het gaf ruimte. En misschien ook rust.
Het verschil met de vorige keer was zichtbaar en voelbaar. Ik ging ditmaal zelf met alle koffers en materialen naar de klassen toe. Het was veel. Educatiekoffers, objecten, stoffen, instrumenten. Even dacht ik: oeh, ik ben mijn structuur kwijt.
Maar bijna tegelijk gebeurde iets anders. Leerlingen stonden op, hielpen dragen, zetten zonder aarzelen alles op de tafels die er stonden. Het werd hun ruimte. Hun les. En precies dat maakte het kloppend.
Er was veel te zien en te horen. Mijn familiegeschiedenis kwam voorbij, maar niet te uitgebreid. In de presentatie liet ik een foto zien die door Bert was gemaakt, diep in het Surinaamse oerwoud. Ik vertelde dat zes Marrongroepen zich tot op de dag van vandaag hebben gevestigd. Ik weet niet waar mijn betovergrootmoeder precies heeft gewoond of op welke plantage zij leefde, maar ik weet wél dat zij uit Afrika is gehaald. Door die foto werd voelbaar hoe mijn familiegeschiedenis raakt aan een grotere geschiedenis, van verzet, overleven en doorgeven.
De gastles heette Hink Stap Sprong door de slavernij. Zo had ik het bewust genoemd. Vier eeuwen slavernij is moeilijk te bevatten, maar sommige leerlingen konden het meteen vertalen: dat is vierhonderd jaar geleden. Dat moment bleef hangen.
De leerkrachten hadden hun werk goed gedaan. De voorbereiding was voelbaar in de vragen, de opmerkingen, de rust in de klas. Dat maakt zoveel verschil.
Bij elke klas lichtte ik één object, of een paar, uit.
Ik vertelde over kalebasolie, gebruikt om slaven er ‘goed’ uit te laten zien voor verkoop. Leerlingen konden verschillende kalebassen zien en voelen, en het kleine flesje met olie bekijken. Kort, zorgvuldig verteld.
In een andere klas stonden de pagni(de omslagdoek) en de angisa( de hoofddoek) centraal. Ik vroeg een leerling naar voren. Ze mocht zelf een pagni uitzoeken en ik hielp haar met aankleden. Daarna koos ze een angisa. Terwijl zij daar stond, vertelde ik het verhaal dat bij die hoofddoek hoort. Het was een bijzonder moment. Stil, aandachtig, dichtbij.
Bij de laatste groep haalde ik de berimbau tevoorschijn, een muziekinstrument uit Brazilië. Niet alleen de leerlingen, ook de leerkracht was zichtbaar geïnteresseerd. In de klas hingen allerlei instrumenten, maar deze niet.
Ik vertelde over capoeira: de vecht-dans die door Afrikanen in slavernij werd ontwikkeld. Over hoe muziek en beweging een vorm van verzet werden. De berimbau als ritme, als waarschuwing, als vrijheid in beweging.
Als afsluiting kregen de leerlingen een kaartje. Ze mochten opschrijven wat hen was bijgebleven, wat ze hadden geleerd, of wat ze later zouden doorvertellen.
Na afloop hielpen een paar meiden en jongens mee om de educatiekoffer en het andere materiaal naar mijn auto te brengen. Ik werd uitgezwaaid.
Het was een mooie dag. Een dag die bleef hangen.
En eentje die ik meeneem.


