Skip to main content

Een familieverhaal in objecten

Vanochtend stond ik voor een school die meteen anders voelde dan de meeste scholen waar ik kom: Basisschool Elif in Amsterdam-Noord. Een bruin gebouw met ronde ramen, rustig van buiten en toch meteen vertrouwd van binnen. Door de regen heen zag ik het opdoemen. Ik wist meteen: hier begint een nieuw verhaal.

Mijn educatiemateriaal zat verdeeld over koffers en tassen. Alles paste, behalve de berimbau. Die lange snaar ging in zijn eigen hoes mee en viel al op nog voordat ik één voet in het lokaal had gezet. Ik was vandaag niet alleen.

Florian, de twintigjarige zoon van vrienden, had een paar uurtjes vrij en ging mee. Hij wilde niet alleen helpen met sjouwen, maar ook met eigen ogen zien wat ik precies doe. Een jongen van twintig leeft in heel andere werelden, studie, muziek, vrienden en toch liep hij naast me, nieuwsgierig en open, door deze school in Amsterdam-Noord.

Nog voordat we bij het lokaal aankwamen, merkte je dat we iets bijzonders bij ons hadden. Leerlingen uit de lagere groepen bleven staan, fluisterden, wezen naar de koffers en vooral naar de lange hoes met dat onbekende instrument. In die blikken zaten al vragen, zonder dat er één woord werd uitgesproken.

In de personeelskamer werden we warm ontvangen met thee en korte gesprekken. Daar begon voor mij de les al. Ontmoetingen zijn óók een vorm van onderwijs.

Bij de deur gaf ik iedere leerling een hand. Zevenendertig kinderen keken mij aan en ik keek hen terug. Ik vertelde hoe de ochtend eruit zou zien en noemde de titel:
Een familieverhaal in objecten.

En toen reisden we samen. Door tijd en land, naar Suriname, naar de plek waar mijn familie vandaan komt. Naar huizen langs de rivier en rijstvelden die verrassend veel lijken op Hollandse polders.

Ik liet foto’s zien van een school in Suriname waar ik eerder stond met dezelfde koffer vol objecten, vol verleden. Toen ging de koffer open. Erin lagen stukjes geschiedenis die je kon vasthouden, ruiken en voelen: katoentakjes, kaurischelpen, suikerbrood in kegelvorm, zeep, kaneel en kalebasolie. En natuurlijk de berimbau, waarvan één snaar al verder reikt dan woorden.

De vragen kwamen vanzelf.
“Hoe oud is dit?”
“Kwam het écht uit Suriname?” “Waarom zag suiker eruit als een kegel?”

En ja, die vorm herkenden een paar kinderen meteen van thuis.

Ik vertelde. Zij luisterden. En Florian luisterde mee. Ik zag hem kijken, steeds aandachtiger. Later, in de auto terug, zei hij zacht dat hij dingen had gehoord die hij nooit had geweten en dat hij er echt iets aan had gehad. Dat maakte deze ochtend voor mij extra bijzonder.

Ik nam niet alleen de leerlingen mee op reis, maar ook iemand die als volwassene voor het eerst instapte in dit verhaal.

Aan het einde van de gastles vroeg ik de kinderen één object te kiezen dat hen was bijgebleven en het te tekenen of er een zin over te schrijven. Wat zij teruggaven, vond ik fantastisch.

Kaurischelpen als geld.
Kalebasolie, helder en pijnlijk benoemd:
“Olie om kinderen in te smeren en dan worden ze verkocht.”

Suikerriet:
“Mensen die slaven waren moesten dit bewerken.”

Katoen:
“Katoen gaf me veel indruk omdat je er kleren van kan maken.”

Kaneel:
“Ruikt lekker maar ziet er vies uit.”

Zeep:
“Die gebruiken ze in Suriname voor het lichaam en het is heel goed.”

En suikerbrood, simpel en herkenbaar: “Je gebruikt het voor Marokkaanse thee.”

Geschiedenis, identiteit en dagelijks leven kwamen samen in één lokaal, op een regenachtige ochtend in Amsterdam-Noord.

Een familieverhaal in objecten, waar 37 leerlingen naar luisterden en meekeken, samen met de twintigjarige Florian die erbij was.

Ik reed naar huis met koffers die lichter voelden dan toen ik kwam, wetend dat verhalen blijven reizen: van Amsterdam-Noord naar Suriname, van verleden naar heden, van één koffer vol geschiedenis naar tientallen kinderhanden die hem even mochten vasthouden.

error: Content is protected !!